​Doe mij maar een knakworst van goede komaf

Even hakken in het zand. Een week geleden werkte ik aan een blog over MSG en autisme. De laatste punt stond nog niet op papier toen de Wereldgezondheidsorganisatie WHO met de mededeling kwam dat het was aangetoond dat vleeswaren en rood vlees veroorzakers van (darm)kanker kunnen zijn. Ik had naar mijn smaak net aangetoond dat er twee werelden zijn: die van de wetenschap en die van het geloof. En dan met name het geloof dat alle door de industrie geproduceerde producten slecht voor de mens zijn. En dat dat geloof zit diep, zo blijkt telkens weer.

Maar wie heeft er nu verweer tegen een gezaghebbend instituut als het WHO. Maar vragen riep het wel op. Dick Veerman, de hoofdredacteur van Foodlog vroeg zich af of dit beleid was van het WHO om de mensen via schrik van het eten van vlees af te helpen. De kop zijn zijn artikel was tekenend - Vraag: Kanker van knakworst, of is het beleid? Voedseldeskundige Katan blijkt naar beleid als antwoord te neigen. In de NRC zet hij de zaken rond dit nog niet gepubliceerde, uitgelekte rapport nog even op een rijtje. Het gaat uitsluitend om bewerkt vlees – kort gezegd vleeswaren – en de kans om darmkanker wordt 1 procent minder wanneer je geen vleeswaren eet. De kans zakt van 5 naar 4 procent.

Vleeswaren zijn inmiddels wel in het rijtje van sigaretten en asbest gezet. Zelfs chef Pierre Wind was geschokt. Terwijl, als we Katan mogen geloven, de kans op kanker nauwelijks groter wordt bij het eten ervan. Natuurlijk kan onze aarde het niet aan als de hele mensheid vlees gaan zoals wij westerlingen dat doen. We moeten dus collectief minderen met vlees eten. Flink minderen. Maar er is nog een andere kant.

De mensheid heeft zijn ontwikkeling te danken aan een gevarieerd menu bestaande uit (eerst) groenten, wortelen, noten, vruchten, (later ook) vlees en vis. Duizenden jaren geleden is men al begonnen met het zouten en drogen van vlees om het lang te kunnen bewaren. In de twintigste eeuw is onze levensduur enorm toegenomen en op dit moment lijkt het worden van 100 jaar al een normale zaak. En al die tijd hebben we – uitzonderingen daargelaten – vleeswaren gegeten. Denk daar maar een over na. Ik loop volgende week op de markt weer even bij Lombok langs voor het kopen van knakworstjes.

Misschien volgende week toch nog iets over MSG.

​IJsselGoed!, een sterk streekmerk. Althans dat moet het worden.

Van de week het werk aan het streekmerk IJsselGoed! weer opgepakt. Er is al veel (denk)werk in gaan zitten. Te veel om het op de plank te laten liggen met het stempel 'Nog af te werken'. In ieder geval gaan we met een aantal mensen kijken of een streekmerk voor de IJsselvallei een haalbare kaart is.

Waarom een streekmerk zult u vragen. Wel, het is opvallend hoe weinig mensen in de stad – of dat nu Apeldoorn, Deventer of Zutphen is – weten waar men in de directe omgeving lekkere dingen kan kopen. Die producenten van die lekkere producten zijn nauwelijks bekend. Onbekend maakt nu eenmaal onbemind.

Via een streekmerk hopen we de stedelingen in contact te brengen met lekkere producten van hoge kwaliteit uit de eigen omgeving. We hopen daarmee de regionale economie op een duurzame manier te versterken. Bovendien verkleinen we daarmee onze ecologische voetafdruk. Maar er is nog iets anders: ook het landschap blijft gespaard en daarmee de biodiversiteit.

Essentieel onderdeel van een streekmerk is het landschap. Zonder streek geen streekmerk. We hebben gekozen voor de IJsselvallei – ruwweg van Arnhem tot Zwolle – omdat langs die rivier sprake is van een heel eigen, verbluffend mooi landschap. En langs de IJssel zijn talloze kleine producenten te vinden. Van aspergetelers tot kwekers van hoogstamfruit. Van biologische groentebedrijven tot fokkers van Bonte Bentheimers. Van bierbrouwers tot kleinschalige mosterdproducenten.

Normaal gesproken zijn het de agrariërs die een samenwerkingsverband aangaan. Ofwel het streekmerk vindt zijn oorsprong op de werkvloer. Het Vechtdal is een voorbeeld van van een streekmerk dat is ontsproten aan het brein van de producenten zelf. De varkensboeren in het Vechtdal wilden de regie over hun eigen bedrijf terug en ook het behoud van het landschap was een belangrijk onderdeel van hun samenwerking. Er was dus een breed draagvlak bij de mensen die het aangaat.

In het geval van de IJsselvallei ligt het initiatief eigenlijk bij de betrokken consument. Er is dus niet direct sprake van draagvlak bij de producenten waarom het gaat. Om dat te bewerkstelligen zal het merk zich direct vanaf de start al moeten bewijzen. Er moet vraag naar producten met het merk moeten komen.

Dat kan door het bijvoorbeeld door het via de Horeca te promoten. Een goede start zou een kleine range aan producten zijn waarmee de horeca zich kan profileren.

Gezocht: horecabedrijven met een groen hart, producenten die denken te kunnen bijdragen aan een mooi en lekker assortiment. Mail mij.


WAAR SMAAK LOKAAL

Ooit bedacht ik voor pensioenfonds PGGM een hippe, laagdrempelige winkel met designspullen. Achterliggend doel: de bezoekers aan de winkel ook te interesseren voor energetische renovatie. Zo'n laagdrempelige winkel was er nog niet in dit soort. Mijn voorstel ging niet door. Zo'n soort winkel is er nu wel en heet WAAR. Ik bezocht de Arnhemse vestiging aan het Brouwersplein. Niet om er iets te kopen, maar om de lunch te gebruiken. Een deel van de winkel is ingericht als lunchroom en op het plein is een bescheiden terras.

WAAR is wat je noemt een marketingconcept. Aan de wand wand in quasi onbeholpen letters de tekst: 'De smaak van lokale waar. Je proeft het in het WAAR SMAAK LOKAAL. SMOOTHIES van vers FRUIT uit de omgeving. SALADES met groenten van boeren UIT DE BUURT. Brood van DE BAKKER om de hoek. En als het toch van verder moet komen, is het in ieder geval BIOLOGISCH en EERLIJK...' Kortom, WAAR heeft een hoog bakfietsgehalte.
'De prijzen zijn inclusief een goed verhaal' bij WAAR SMAAK LOKAAL. Neem dat niet te letterlijk, ik heb geen verhaal gehoord. Waarschijnlijk duidde men op de beschrijvingen op het menu. Daarop overigens niets verrassends, ondanks het geprononceerde 'VERRASSING en AVONTUUR' op een van de andere borden.
Maar WAAR SMAAK LOKAAL serveert een uitstekende sandwich. Ik heb de vraag 'wat wil je: groot of klein. Wij maken onze porties altijd flink' niet hoeven beantwoorden. Men bracht gewoon de grote portie – twee grote, dikke bruine boterhammen met mozzarella, tomaat en basilicum.
Mooi brood. Mooi rijpe tomaat. En een mooi rulle mozzarella uit Zevenaar. Het 'puur, smaak en eenvoud', zoals de pay-off van SMAAK LOKAAL luidt, wordt helemaal waar gemaakt. Zeker om een keer terug te komen, alhoewel de bediening wel iets strakker mag.

WAAR is trouwens ook in Zutphen actief. Aan de Korte Beukerstraat. Daar geen Smaaklokaal.

SMAAK LOKAAL WAAR Arnhem, Brouwersplein 11, 6811 BL Arnhem
WAAR Zutphen (zonder proeflokaal), Korte Beukerstraat 14, 7201 KP Zutphen

​KOSTmisselijk

Ik heb het even moeten laten indalen. Een paar weken geleden was er in de Citroëngarage in Amsterdam het evenement KOST. Het evenement dat gesponsord werd door het Platform Moeder Aarde, waarin de bakkers, zuivelaars en groentejongens samenwerken. De doelstelling: startpunt zijn voor een nieuwe Nederlandse eetcultuur. Het kon dus alle kanten op, want niemand die precies weet wat een Nederlandse eetcultuur is, laat staan een nieuwe.

Al weken voor het event was er een discussie op het blog van Mergenmetz. Slow Food zou zich hebben verkocht aan de voedselindustrie. Er waren voor- en tegenstanders van dit standpunt en YFM-icoon Joris Loman werd ter verantwoording geroepen. Om een lang verhaal kort te maken: de Mergenmetz-blogger toog vooringenomen naar Amsterdam. En hij vond wat hij verwacht had te vinden: een niet in alle opzichten geslaagd evenement. Wat ook weer stof voor het eigen blog, Foodlog en Facebook opleverde. De meningen buitelden weer over elkaar. Meestal in negatieve zin. Alleen het diner na het evenement was geslaagd. Dat was de teneur.

Ik heb even over moeten nadenken, maar eigenlijk is het een debat om KOSTmisselijk van te worden. Het gaat niet om de vraag of KOST wel of niet is geslaagd. En we weten allemaal wat er schort aan onze eetcultuur. Die bestaat niet meer. Unilever, Nestlé en Campbell zijn de grote chefs van deze wereld, met name in Nederland. Zij koken voor een grote groep – veelal mensen met een smalle beurs – en doen dat voor heel weinig geld met ingrediënten waar we niet blij van worden. Te vet, te zoet, te zout.

Daar willen de doorvoede foodies van deze wereld een eind aan maken. Iedereen moet onder leiding van Michael Pollan de keuken weer in. Samen eten aan tafel en niet met het bord op schoot voor de televisie. In principe is dat ook mijn ideaal. Maar er schuurt iets. Wie kan er – de goede thuiskok uitgezonderd – iedere dag een goed bereidde, gevarieerde maaltijd op tafel zetten? Dat zijn er niet veel. Het platform Moeder Aarde hoopt daar een einde aan te maken door kinderen te leren koken. Uitzichtloos vinden velen.

In de discussie – het had trowuens meer van een twistgesprek – achteraf kwam iets van een oplossing bovendrijven: het opstuwen van street food in de vaart der volkeren. De nieuwe eetcultuur is dus op straat te vinden. Gezonde producten uit de regio, die verwerkt worden tot lekkere gerechten die je bij een food truck of op de markt kunt kopen. Ik voel er voor.

Voor Zutphen kan dit betekenen het uitbreiden van de biologische markt met nieuwe deelnemers, zoals catering Zutphen, die claimt de beste biologische hamburger van de streek te maken, of de Biologische Keuken. Trouwens met de herinrichting van de Groenmarkt mag ook de biologische markt wel eens op de schop. Ze is nu nog verdeeld over twee locaties, maar met een uitbreiding met street food en kant-en-klaar maaltijden moet het mogelijk zijn één mooie markt te maken. Een markt die volk trekt!

Toon meer artikelen