Van kop tot kont - nadenken over een streekmerk
Wat is de essentie van een streekmerk? Moeilijk te zeggen. Het hangt af van het perspectief van de beschouwer. Voor de een is het dit, voor de ander dat. Voor de boer moet het op zijn minst een beter inkomen betekenen. Voor de natuurbescherming kan het – mits men intensief samenwerkt met de agrariërs – het behoud en versterking van het landschap betekenen. Voor de consument is het smaak en het idee van voedselveiligheid. Bovendien hebben de producten van een streekmerk een verhaal dat je aanspreekt. Alles pleit dus voor het opzetten van een streekmerk. Maar dan begint de ellende...
De boer wil naast het plezier in zijn werk – van passie alleen kun je niet leven – ook waardering. En waardering druk je tegenwoordig nu eenmaal uit in geld. Deelnemen aan een streekmerk moet hem of haar dus iets brengen. Neem een rundveehouder, wanneer hij nu 425 euro per geslachte koe krijgt, moet dat meer worden - zeg 450 euro. Dat maakt hem en zijn familie gelukkig. Want hij kan dan op termijn afstand nemen van de bank en dat komt zijn nachtrust ten goede.
Maar hoe maak je meer voor een koe. Door de huid duur te verkopen zoals de Natuurboeren in Twente bijvoorbeeld deden! Van Bommel maakte een kleine serie schoenen uit het leer van natuurkoeien van het MRIJ-ras. Ondanks het bijzondere verhaal bij deze schoenen is Van Bommel na een serie gestopt. En daarmee kregen de Natuurboeren weer 75 euro minder voor hun koe. De Natuurboeren zijn inmiddels op zoek naar andere mogelijkheden.
De organisatie achter een streekmerk moet dus geen wegen zoeken om meer biefstukken te verkopen. Dat heeft geen zin. Er moet meer van hetzelfde beest verkocht worden. Dat levert geld en dus rust op. Ofwel Nederland zal aan de zogenaamde mindere delen moeten: de organen, het klapstuk, de longhaas. Ga dat maar een verkopen. Sommige delen kun je verwerken tot bouillon, kroketten en bitterballen. Maar wat doe je met de rest. Verkopen via Albert Heijn – het ultieme doel van sommige diep groene mensen – zal het komende decennium niet lukken. Hoe dan wel. Er schijnt maar een mogelijkheid te zijn. Of liever twee: via de Horeca en via bejaardentehuizen.
De regionale horeca zal zoals in de jaren zeventig van de vorige eeuw nog het geval was weer orgaanvlees op de kaart moeten zetten. Maar ook andere delen van de koe die het in de moderne keuken niet redden. Er kunnen mooie gerechten mee gemaakt worden. Dat zorgt dat de menuprijs daalt en de omzet stijgt. Dat is wat we tegenwoordig win-win noemen. De consument kan voor een betaalbare prijs 'op restaurant' zoals de Belgen zeggen en de restaurateur kan een omzetstijging verwachten mits hij kwaliteit levert.
In bejaardenhuizen kan de smaak van vroeger weer op tafel worden gebracht. We doen er alles aan om vroeger in zo'n tehuis te laten herleven met speciale themakamers, het meenemen van de eigen voordeur (een foto ervan) en maar al te vaak komt een bejaarde artiest optreden om het geluid van vroeger te laten horen. Waarom dan ook niet de smaak van vroeger.
Er is dan wel samenwerking nodig. Zo'n beest moet efficiënt verdeeld worden tussen tussen slager, restaurant en instituut. Wanneer dat lukt levert dat profijt op voor iedereen - voor de boer, de andere organisaties in de keten en de consument. Ga er maar aanstaan.
Streetfoodparadijs
Eigenlijk is het geen moment om een blog te schrijven. De wereld is geschokt door de aanslagen in Parijs. Maar het parool dat we ons niet moeten laten kennen, spreekt me aan. Dus business as usual - zeuren over ons voedsel.

We moeten dus iets anders verzinnen. Bij Foodlog is er een stem opgegaan – helaas het was er maar één – om Nederland om te toveren tot een streetfoodparadijs. Je kookt je maaltijd op straat. Vers, met regionale producten en natuurlijk goed gekookt, gebakken of gebraden. Ik ben daar voorstander van. Niet alleen voor het voedsel maar ook omdat het onze leefomgeving een stuk kleurrijker zou maken.
